Heeft iemand geprobeerd de Tribal Hidage in kaart te brengen?

Heeft iemand geprobeerd de Tribal Hidage in kaart te brengen?


We are searching data for your request:

Forums and discussions:
Manuals and reference books:
Data from registers:
Wait the end of the search in all databases.
Upon completion, a link will appear to access the found materials.

De Tribal Hidage schetste het aantal huishoudens dat in verschillende koninkrijken en subkoninkrijken van Angelsaksisch Engeland woonde. Is er enig werk gedaan om deze gegevens in kaart te brengen, in het bijzonder door ze te vergelijken met de gedetailleerde verslagen van het Domesday Book of andere gedetailleerde tellingen dichter bij die tijd? In het bijzonder ben ik geïnteresseerd in de kleinere "Middle Angle"-stammen die worden genoemd, zoals de Gifle, Hicca en Willa.


Volgens wikipedia, ja, verschillende mensen hebben verschillende afbeeldingen gemaakt van bekende historische documenten, hoewel ik niets kan vinden van het detailniveau dat ik zou willen.

Sir Henry Spelman was de eerste die de Tribal Hidage publiceerde in zijn eerste deel van Glossarium Archaiologicum (1626) en er is ook een versie van de tekst in een boek geschreven in 1691 door Thomas Gale, maar er ontstond geen echte discussie over de Tribal Hidage tot 1848, toen John Mitchell Kemble's De Saksen in Engeland werd uitgebracht. In 1884 schreef Walter de Grey Birch een paper voor de British Archaeological Society, waarin hij in detail de locatie van elk van de stammen besprak. De voorwaarde Tribale schuilplaats werd geïntroduceerd door Frederic William Maitland in 1897, in zijn boek Domesday Boek en verder. In de daaropvolgende decennia werden artikelen gepubliceerd door William John Corbett (1900), Hector Munro Chadwick (1905) en John Brownbill (1912 en 1925). De belangrijkste latere rekeningen van de Tribal Hidage sinds Corbett, volgens Campbell, zijn door Josiah Cox Russell (1947), Cyril Hart (1971), Wendy Davies en Hayo Vierck (1974) en David Dumville (1989).

  • Hart, The Tribal Hidage, pp. 135-136, 156.
  • Hill en Rumble, De verdediging van Wessex, p. 183.

"Domesday Book and Beyond: Three Essays in the Early History of England" bevat een vergelijking op hoog niveau van Tribal Hildage, Burghal Hildage en andere documenten met het Domesday Book. Een van de problemen die hier aan de orde komen, is de onzekerheid van de definitie van de meeteenheid 'verbergen'. Aangezien dit belastingdocumenten waren, was het voordelig voor mensen om dingen in hun voordeel verkeerd op te vatten, en dit kan worden gezien in duidelijke discrepanties tussen opeenvolgende documenten. Domesday wijst 70.000 huiden toe aan heel Engeland, terwijl het in de Tribal Hidage om meer dan 240.000 huiden gaat.

Nog een referentie die interessant klinkt (maar niet online beschikbaar):

  • http://www.lib.unc.edu/mss/inv/l/Lemcke,Ernest_Gustave.html - Niet-gepubliceerd manuscript met kaarten getiteld "The Tribal Hidage of First English Census" door Ernest Gustave Lemcke, een studie van de zogenaamde Tribal Hidage, gedrukt in Birch, die handelt over de geografie en demografie van Engeland in de 7e eeuw.

Kaarten

  • http://www8.georgetown.edu/departments/medieval/labyrinth/library/oe/texts/tribes.gif">Het oude Groot-Brittannië: een kaart van de belangrijkste zichtbare oudheden van Groot-Brittannië ouder dan 1066

  • Groot-Brittannië voor de Normandische verovering: 871 AD tot 1066 AD (noord) en … (zuid)


Ik heb dit kunnen vinden om te beginnen:

The Gifle (300 huiden), gelegen in het oosten van Bedfordshire (kaart hier op pagina 10)


De geïsoleerde stam die een 26-jarige Amerikaanse missionaris heeft vermoord, is minstens 11 keer eerder door de buitenwereld benaderd - dit is wat er elke keer gebeurde

De Sentinelezen – een kleine inheemse stam die op het Noord-Sentinel-eiland in India woont – hebben internationale aandacht getrokken voor het vermoorden van de Amerikaanse missionaris John Allen Chau, die het eiland leek te bezoeken op een religieuze missie, en schreef in zijn dagboek: "Heer, is dit eiland Satans laatste bolwerk waar niemand je naam heeft gehoord of zelfs maar de kans heeft gehad?"

Het was niet de eerste keer dat de stam contact had met mensen van de buitenwereld, of de eerste keer dat ze een indringer vermoordden.

De Sentinelezen, onderdeel van de Andamanezen (een groep stammen die op de afgelegen Andaman-eilanden in de Golf van Bengalen leven), hebben een lange geschiedenis van incidenteel contact met buitenstaanders. Sinds de jaren 1800 zijn er een aantal geregistreerde contacten met de stam geweest en sinds de jaren zestig hebben antropologen regelmatig bezoeken gebracht.

Ze waren niet allemaal even vriendelijk. In 1880 ontvoerde een Britse kolonisator zes Sentinelezen. En in 2006 doodden stamleden twee vissers die krabben oogstten voor de kust van het eiland.

Hier zijn 11 bekende contactpunten tussen de Sentinelezen en de buitenwereld - en wat er elke keer gebeurde.


"Je kunt dit tijdperk zien als een zwart gat waarin onze geschiedenis tuimelt": Max Adams over Groot-Brittannië na het vertrek van de Romeinen

Elke vroeg-middeleeuwse archeoloog krijgt vroeg of laat te maken met de ‘donkere middeleeuwen’. Het is een beetje zoals een Shakespeare-acteur die het opneemt tegen Lear. Op een gegeven moment moet je er een stokje voor steken. Je zou deze zeer obscure periode kunnen zien als een zwart gat waarin onze geschiedenis tuimelt. Je moet een kaars omhoog houden om een ​​glimp op te vangen van wat er aan de hand is, wat het ook onweerstaanbaar maakt.

Wie de vroege middeleeuwen onderzoekt, begint bij de grote historicus van West-Europa in die periode, de Eerbiedwaardige Bede. Maar zelfs Bede, die extreem productief is, zegt op dit moment nauwelijks iets over Groot-Brittannië. Hij bestrijkt ongeveer 150 jaar in slechts 19 regels. Er zijn geen Romeinse bronnen, en de enige verhalen die we hebben zijn een razende preek van een geestelijke die we niet eens kunnen dateren, een paar documenten van St. Patrick en een paar obscure referenties van het continent.

Traditionele interpretaties van deze periode zijn volledig geketend door nationalisme - ze gaan allemaal over Britten die slaven of Angelsaksische indringers zijn, alsof deze regels van nationale etniciteit in deze periode van toepassing zijn. Dit komt deels omdat de primaire historicus waarop we moeten vertrouwen Gildas is, een priester die je nu zou zien als een soort razende, fulminerende fundamentalist. Hij neemt er geen blad voor de mond - Saksen zijn "vuile honden" en slechte christelijke koningen zijn "maar de bastaardkinderen van prostituees". Maar dat is niet erg handig om de geschiedenis daadwerkelijk te reconstrueren. dus binnen Het eerste koninkrijk, Ik heb geprobeerd om van dat alles weg te komen.

Max Adams is de auteur van Het eerste koninkrijk, Groot-Brittannië in het tijdperk van Arthur (Apollo, 2020)

Kan de archeologie ons nog meer aanwijzingen geven?

Archeologen hebben de afgelopen 150 jaar laten zien hoe hun discipline kan presteren. En dit is de periode waarin we archeologie meer dan ooit nodig hebben. Maar helaas hebben we ofwel heel weinig om uit te putten, ofwel ontbreken de tools die we normaal tot onze beschikking hebben voor deze periode.

Allereerst vertrouwen we op dingen die we kunnen dateren, zoals stukken hout met jaarringen erin. Maar voor de jaren 400 tot 600 hebben we daar maar heel weinig voorbeelden van. Aardewerk, dat we tot nu toe ook gebruiken, werd niet in industriële hoeveelheden gemaakt. De andere kaart om uit de gevangenis te komen voor archeologen is radiokoolstofdatering, die normaal gesproken data binnen ongeveer 50 jaar kan opleveren. Maar het gebeurt gewoon zo dat het koolstofgehalte in de atmosfeer in die 200 jaar in de war raakt, dus zelfs dat helpt niet. Het enige wat we kunnen doen is wegschrapen met onze troffels en proberen de fragmenten van bewijs die we hebben samen te voegen.

Wat zou dit gebrek aan bewijs kunnen suggereren over wat er in Groot-Brittannië is gebeurd na de val van Rome?

Dat is de oude vraag van elk eerstejaars bachelordiploma archeologie: is het een bewijs van afwezigheid of is het afwezigheid van bewijs? Missen we iets omdat we niet op de goede plek zoeken of is er gewoon niets te vinden? De steeds gevoeliger wordende archeologie laat zien dat het spul er is. Maar het is vrij moeilijk om er te komen, en als we er eenmaal zijn, is het vrij moeilijk om te begrijpen wat er aan de hand is. We moeten dus wat fantasierijk nadenken over de archeologie om een ​​veel subtieler beeld te schetsen.

En wat was precies de "val van Rome"? Was het een ramp? Een revolutie? Of een evolutie die te subtiel is om nauwlettend in de gaten te houden? Het idee dat Groot-Brittannië werd overspoeld door Italiaanse zwaardvechters die het schip in de vierde eeuw plotseling verlieten, houdt zeker geen stand. Groot-Brittannië is op dat moment Brits. De gesproken talen zijn Brittonic - een herkenbaar antecedent van het Welsh - laat omgangstaal Latijn, Iers en een of andere vorm van Germaans-Fries dialect, dat 200 jaar later als een soort lingua franca eindigt. We kunnen er niet echt zeker van zijn of dat komt door een invasie van Duitse volkeren, wat de traditionele opvatting is, of dat er iets subtielers aan de hand is. Mensen eten tegenwoordig McDonald's en rijden in Japanse auto's, maar dat betekent niet dat we onderworpen zijn aan militaire veroveringen door die mensen. De artefacten die archeologen vinden zijn geen biografieën van de mensen bij wie we ze vinden.

Eén ding waar we zeker van kunnen zijn, is dat Groot-Brittannië in 400 na Christus er heel anders uitziet dan Groot-Brittannië in 600. Om te raden hoe dat zou kunnen zijn gebeurd, kunnen we kijken naar de instellingen waarvan we weten dat ze in de zesde eeuw bestonden en proberen om ze te herleiden tot dingen die vóór 400 plaatsvonden. Met andere woorden, we zijn niet op zoek naar absolute discontinuïteit of catastrofe, maar naar hoe wat al in 400 bestond, zou kunnen zijn veranderd in iets anders.

Hoe zijn de dingen veranderd tussen 400 en 600 na Christus?

Het meest dramatische dat we nog steeds niet kunnen verklaren, is een aanzienlijke bevolkingsafname. De laatste schattingen van de bevolking van Romeins Groot-Brittannië liggen in de buurt van 3 tot 3,5 miljoen. Tegen de tijd van Bede was dat nog lang niet zo - dat soort bevolkingsaantallen werden pas na Domesday Book aan het einde van de 11e eeuw teruggevonden.

Er zijn een paar manieren om die bevolkingsafname te verklaren. Gildas wil ons doen geloven dat al die mensen op straat stierven in een grote catastrofe. Maar als dat zo is, waarom vinden we de lichamen dan niet? Ook vinden we geen enkel bewijs van mensen die wegrennen uit angst voor hun leven – met achterlating van hun huizen, hun bezittingen, alles wat ze niet kunnen dragen – het soort bewijs dat je aantreft in Pompeii of Tsjernobyl. Evenzo zou ik theorieën over een afdaling in chaos en oorlogvoering in twijfel trekken, omdat bijna geen lichamen uit deze tijd wapenbladverwondingen hebben. Het werkelijke aantal skeletten uit deze tijd dat tekenen vertoont van gewond raken tijdens een gevecht, is slechts ongeveer 2 procent. De meeste mensen sterven aan verlammende ziekten en ouderdom.

Subtielere verklaringen zouden een stijging van de kindersterfte kunnen zijn, een langzame daling van het geboortecijfer, of misschien een stijging van het sterftecijfer die leidt tot een daling van de bevolking in de loop van 50 of zelfs 100 jaar. Dit lijkt niet zo dramatisch als een catastrofale ineenstorting van de bevolking.

Wat we wel vinden, is dat de ruimte een nieuwe bestemming krijgt, en dat is een veel subtieler verhaal. Iemand graaft een gat door de mozaïekvloer in de eetkamer van een Romeinse villa en maakt er bijvoorbeeld een ijzersmelterij van. Waarom, in plaats van elitevrienden uit te nodigen voor het diner, smelt iemand nu metaal in de eetkamer? We vinden ook een grote deken van donkere aarde die Romeinse steden bedekt - wat betekent het, waar komt het vandaan? Je moet behoorlijk behendig denken om te proberen een wereld te begrijpen die zo snel lijkt te veranderen.

Zijn alle vorderingen uit de Romeinse tijd verloren gegaan?

Als we het bijvoorbeeld hebben over een Romeinse villa met mozaïekmozaïek, is dat een vooruitgang? Of is het een behoorlijk groteske vorm van opvallende consumptie waar mensen uiteindelijk ziek van worden? Denk aan de geweldige landhuizen van het Engeland van Jane Austen. Veel van hen zijn er nog steeds, maar het zijn geen privéwoningen meer. Het zijn hotels, of trouwlocaties, die een nieuwe bestemming hebben gekregen omdat hun vorstelijke uiterlijk vertoon er in de 21e eeuw behoorlijk grotesk uitziet. De meeste Romeinse villa's waren geen eigendom van mensen die erin woonden. Er waren veel afwezige verhuurders.

En tegen het einde van de vierde eeuw voldeden de Romeinse villa's niet meer aan de behoeften van de samenleving. Tegen die tijd lijkt er een systeem van opperheerschappij te zijn ontstaan, waarin lokale autoriteiten voedsel en diensten ophaalden die ze naar zich toetrokken. We hebben het over karrenvrachten hout, honing of bier en paarden, schapen, wol en ambachtelijke producten. Een van de belangrijkste doelen van dit systeem was dat je feesten moest houden en de goederen moest herverdelen. Maar de Romeinse villa was totaal ongeschikt voor dergelijke activiteiten, omdat deze was ontworpen als een privé-eetruimte. Het zou niet werken voor de montage of de verwerking van goederen.

Wat je in plaats daarvan begint te zien, zijn montageplaatsen die iets verder van de villa's zijn gebouwd. In een Romeinse graanschuur die is omgetoverd tot medehal, wordt de sociale dynamiek van de ijzertijd nagebootst. De mede hal van Beowulf is in wezen een omgebouwde schuur. Moeten we dat nu zien als revolutie, of aanpassing aan een andere wereld?

Wat kun je ons nog meer vertellen over dat opkomende systeem van opperheerschappij?

Een wet van de koningen van Kent stelt dat als je in 600 door Kent dwaalt en niet op je hoorn blaast om je aanwezigheid aan te kondigen, je gearresteerd kunt worden. Waarom is dat? Want mensen die door dat landschap bewegen, moeten van iemand zijn. Het eerste dat je iemand gaat vragen als je ze ontmoet, is: "Wie is je heer?"

In plaats van een Romeinse keizer komen er veel meer lokale heren naar voren. Dit kunnen de voormalige commandant van het Romeinse fort zijn, of de voormalige rentmeester van een villa waarvan de baas nooit meer terugkomt en die het overneemt en reorganiseert als een plaatselijk centrum van herverdelende gemeenschappelijke afhankelijkheid. De beste vergelijking met de manier waarop opperheerschappij werkte, zou een marinefregat zijn uit de tijd van Horatio Nelson, waar de loyaliteit tussen een kapitein en zijn gezinsleden in twee richtingen werkte - hij was net zo goed van hen als van hem.

Een van de mooiste dingen die uit Bede naar voren komen, komt van een kleine wegwerpregel over de Northumbrische koning Edwin die 36 dagen in zijn paleis in Yeavering doorbrengt. Een collega van mij, Colin O'Brien, vroeg: waarom zou een grote heer specifiek 36 dagen op één plek blijven? Nou, 36 dagen is een tiende van een jaar. De implicaties daarvan zijn echt diepgaand voor het begrijpen van deze periode. Denk aan alle goederen en diensten van een gebied die naar een heer worden gebracht om hem te gebruiken en te consumeren. Uiteindelijk kan hij heerser worden over meer dan één van deze gebieden, en als de goederen nog steeds naar één centrale plaats in dat gebied gaan, hoe ga je ze dan consumeren? Het antwoord is: je moet elk gebied om de beurt bezoeken om de render te consumeren, en je gaat voor 36 dagen omdat je 10 procent belasting op dat land consumeert. Het is een briljant inzicht in hoe het hele systeem werkt.

Een van de dingen over heerschappij is dat ze afdalen als sprinkhanen en een enorme hoeveelheid calorieën verbruiken. Als je je een plek als Yeavering wilt voorstellen, moet je denken aan een schilderij van Bruegel, of een kruising tussen de Yorkshire County Show, het Glastonbury-festival en een rel in de binnenstad van Londen, vol eetbuien en ongetwijfeld vechten terwijl alle het eten en drinken werd op één plek genuttigd.

Wat je ook ziet ontstaan ​​zijn netwerken van patronage en afhankelijkheid, waarin verbonden families, clans en verwante allianties allemaal bijdragen aan het bevorderen van sociale cohesie als er geen staat is. Het huishouden was de belangrijkste sociale eenheid, een hiërarchie die bestond uit mannelijke en vrouwelijke gezinshoofden aan de top, met daaronder allerlei nevenrelaties en verschillende niveaus van vrije en onvrije personen ten laste.

Hebben we enig idee hoe mensen in die tijd hun eigen identiteit zagen?

Wat zo opwindend is, is dat er een zeer breed, eclectisch mozaïek van identiteiten lijkt te zijn geweest. Sommige mensen identificeren zich met land en met hun huishouden. Sommige gemeenschappen zijn vernoemd naar een voorouderlijke stichter, en andere identificeren zich met een veel bredere groep door de manier waarop ze leven en dood benaderen.

Naast die sterke gevoelens van gehechtheid aan huis, familie, lokale plaats of lokale geesten waren regionale identiteiten. Als je de namen samenvoegt van alle plaatsen en volkeren die we kunnen verzamelen, denk ik dat je een kaart kunt maken van het zesde-eeuwse Groot-Brittannië dat 200-300 kleine regionale identiteiten heeft, van de koninkrijken Mercia, Northumbria en Kent, helemaal naar beneden. tot kleine gemeenschappen die vaak gericht zijn op kleine rivieren. Deze verschijnen in een schitterend document genaamd de Tribal Hidage, waarin deze hiërarchie van volkeren wordt vastgelegd die hulde verschuldigd zijn aan een grote opperheer. Wat het onthult, is een kleinschalige geografie van de vroegmiddeleeuwse koninkrijken van Groot-Brittannië die ontstonden nadat de Romeinse overheersing was ingestort.

Deze dynamische lappendeken van verschillende lokale identiteiten werd gevormd door geografie. Mensen in de vennen van East Anglia zouden bijvoorbeeld een heel ander identiteitsgevoel hebben dan mensen die in de Hooglanden of aan de kust wonen, omdat hun omgeving zo totaal anders was. Namen als de "mensen van het modderige moeras" of "mensen van de lente" vertellen ons heel veel over wat mensen over zichzelf dachten. Er wordt altijd gekscherend gezegd dat de noord-zuid kloof begint bij de Watford Gap, en wat interessant is, is dat Watling Street een geografische scheidslijn is tussen alle rivieren die naar het noorden en oosten stromen en alle rivieren die naar het zuiden en westen stromen. Het is een echte grens in het landschap. Het laat alleen maar zien hoe mensen gevoelig zijn voor kleine geografische aardigheden.

Hoe veranderde religieuze voorkeuren – en welke impact had dat op de ontwikkeling van de samenleving?

We hebben de neiging om Angelsaksisch Engeland vóór het christendom als 'heidens' te beschouwen. Maar heidendom is een nutteloze term, omdat het eigenlijk alleen maar "niet-christelijk" betekent. In deze periode vermoed ik dat er een coagulatie was van opnieuw opkomende goden uit de ijzertijd, sterk gelokaliseerde reeksen van overtuigingen en geloofssystemen zoals animisme (waar men ziet dat de bronnen, heuvels of bomen geesten bevatten). Mensen waren geïnteresseerd in alles wat ze altijd zijn geweest - proberen de kansen in jouw voordeel te verkleinen in zaken als lot, armoede, vruchtbaarheid, dood, ziekte, huwelijk of mislukte oogsten.

In het oosten van Engeland schijnt er een alomvattende afwijzing te zijn geweest van alles wat Romeins is, inclusief het christendom. Ondertussen werden in het verre westen, dat zeer resistent was tegen Rome, de mensen ultra-Romeinen en omarmden ze het christendom. Een ultraconservatieve vorm van christendom ontstond onder de volkeren van het Brits-sprekende westen, die in hun gezicht explodeerde toen Sint-Augustinus in 597 arriveerde en ontdekte dat de bisschoppen daar 200 jaar achterhaald waren.

Uiteindelijk ontstond er een intellectueel geletterd priesterschap dat koningen niet alleen succes bood in het leven en op het slagveld, maar, om de beroemde metafoor van Bede te gebruiken, ergens heen te gaan nadat ze uit de mede-hal van het leven in eeuwige duisternis waren gevlogen. Ze kregen voor altijd een plaats aan Gods zijde aangeboden in ruil voor het vrijgeven van grond aan de kerk. Dat is de deal die ons uit de middeleeuwen heeft gehaald - vanaf dat moment ging het middeleeuwse Europa op spectaculaire wijze van start.

Een figuur die altijd wordt genoemd als we het over deze periode hebben, is koning Arthur. Waarom zijn mensen zo geobsedeerd door hem, en kunnen we hem opsporen in enig historisch record?

Laat me die vraag bedriegen door een andere te stellen: waarom zijn archeologen? niet geïnteresseerd in Arthur? Praat met bijna elke archeoloog en ze zullen zeggen dat koning Arthur oninteressant en irrelevant is. Het is niet zo dat we denken dat Arthur niet bestond. Als Arthur niet bestond, waren die er zeker Arthur's. En ik denk dat als je hem ergens zou plaatsen, je hem in het begin van de vijfde eeuw moet plaatsen. Als hij iets is, is hij Romeins. Maar hij was geen koning. Tegen de tijd dat Arthur in een reeks annalen wordt geplaatst met datums naast zijn naam, zijn er geen koningen, er zijn alleen kleine heren. Als hij iets is, is hij een militaire commandant.

Het echte probleem met Arthur is niet dat hij misschien niet heeft bestaan, maar dat hij ons niets nuttigs vertelt. Wat kan hij ons vertellen over het systeem van heerschappij dat in deze periode is ontstaan? Waar zijn zijn territoria? Wie zijn zijn mensen? Wat is zijn genealogie? Hij geeft ons niets. Hij is geen territoriale heer en daarom helpt hij ons niets uit te leggen over de politieke ontwikkeling van een nieuwe geografie van mensen en heerschappij.

Om te begrijpen waarom mensen geobsedeerd zijn door Arthur, moet je echt naar de negende eeuw kijken, wanneer de legendes rondom hem opduiken. Het is een periode van grote onzekerheid en iedereen is op zoek naar een heilige. De kerk stort in en Scandinaviërs vallen aan. Terwijl de machtige dynastieën van concurrerende Angelsaksische en Welshe staten hun macht beginnen te consolideren, willen ze dat heroïsche voorouders terugkijken en zeggen: "We waren niet alleen een keer geweldig, we kunnen ook weer geweldig zijn." Die mythen hebben een handige, heroïsche persoon nodig om samen te smelten - iemand als Arthur.


Kaarten hebben de kracht om geschiedenis vorm te geven

In 1828 was Emma Willard 41 jaar oud - slechts iets ouder dan de Verenigde Staten van Amerika zelf, als je begint te tellen vanaf 1789, toen de Amerikaanse grondwet van kracht werd. Natuurlijk waren er ook andere manieren om te tellen. Het land was een solide 45, als je de tijd meet vanaf het Verdrag van Parijs, dat een einde maakte aan de Revolutionaire Oorlog en de Amerikaanse soevereiniteit erkende, en iets meer dan 50, als je begint te tellen vanaf 1777, toen de Statuten van de Confederatie werden ondertekend. In 1828 was het verhaal van het land nog kneedbaar, het werd nog maar net gevormd tot een vorm die zou uitharden in de geschiedenis. Willards bijdrage aan dat proces was het maken van kaarten.

Willard is een van de eerste, misschien wel de allereerste, vrouwelijke kaartenmaker in Amerika. Als lerares, pionier op het gebied van onderwijs voor vrouwen en oprichter van haar eigen school, was Willard gefascineerd door de kracht van geografie en het potentieel van kaarten om verhalen te vertellen. In 1828 publiceerde ze een reeks kaarten als onderdeel van haar Geschiedenis van de Verenigde Staten of de Republiek Amerika, die grafisch aantoonde hoe het land, zoals zij het begreep, was geworden. Het was het eerste boek in zijn soort, de eerste atlas waarin de evolutie van Amerika werd gepresenteerd.

Het boek begon met een kaart (hieronder) die ongebruikelijk en innovatief was voor zijn tijd. Het probeerde de geschiedenis en beweging van inheemse Amerikaanse stammen in het prekoloniale verleden te documenteren. Willards atlas vertelde ook een verhaal over de triomf van de Engelse kolonisten in dit deel van de wereld. Ze hielp, voor zowel haar collega's als haar studenten, een verhaal van het Amerikaanse lot en onvermijdelijkheid te verstevigen.

Willards 'inleidende' kaart toonde de bewegingen van stammen. Met dank aan Boston Rare Maps

'Ze is een uitbundige nationalist', zegt Susan Schulten, historicus aan de Universiteit van Denver en auteur van De natie in kaart brengen: geschiedenis en cartografie in het negentiende-eeuwse Amerika. “Ze is buitengewoon trots op haar land.”

Het zou verkeerd zijn om Willard een feministe te noemen, maar ze geloofde in het intellectuele potentieel en de opvoeding van vrouwen. In die tijd was het onderwijs voor meisjes beperkt tot bepaalde 'zachtere' vakken en aardrijkskunde, maar Willard wist dat meisjes filosofie en natuurwetenschappen net zo streng konden aanpakken als jongens. Voordat ze 20 was, leidde ze een school, voordat ze 30 was, had ze haar eigen school opgericht. Haar school was de eerste in het land waar vrouwen een universitaire opleiding volgden, en de schoolboeken van Willard behoorden tot de bestverkochte in Amerika.

Maar haar kaarten behoorden tot haar grootste innovaties. Zoals Schulten schrijft, ontdekten Amerikanen destijds dat kaarten informatie konden ordenen en analyseren. Ze maakte kaarten als pedagogisch hulpmiddel, met het idee dat een afbeelding zou kunnen helpen om lessen in de hoofden van haar studenten vast te leggen. (Ze geloofde, zoals de meeste opvoeders van haar tijd, in de kracht en prioriteit van memoriseren.) Haar historische atlas was een van de belangrijkste en invloedrijke resultaten van deze inspanningen.

Emma Willard. Openbare bibliotheek New York/Openbaar domein

In totaal bevatte haar atlas 12 kaarten, hoewel dat aantal een beetje varieert tussen edities. De kaart die de bewegingen van stammen weergeeft, noemde ze een 'inleidende' kaart, buiten de historische tijd De Amerikaanse geschiedenis, zoals zij die opvatte, begon in de periode van 1492 tot 1578, toen de Europese verkenning van het land aan de overkant van de Atlantische Oceaan begon. Elke kaart die volgde, bewoog het verhaal van de Anglo-nederzetting en toenemende controle over Amerikaans land, waarbij belangrijke gebeurtenissen werden belicht, van de landing van de pelgrims in Plymouth Rock tot het Verdrag van Parijs tot de oorlog van 1812, en culminerend in de verdeling van staten bij die tijd.

Maar die inleidende kaart van stambewegingen verwijst al naar dit einde. De grenzen van de toekomstige staten zijn er al, in vage contouren. Hoewel ze de inheemse Amerikaanse volkeren meer aandacht schonk dan haar tijdgenoten, hielp ze een verhaal te vormen dat hen uit de Amerikaanse geschiedenis schreef.

“Ze omlijst de inheemse stammen vaak in termen van respect, soms als het verwelkomen van de kolonisten en andere keren als een formidabel obstakel, maar meer in het algemeen aanvaardde ze de verwijdering van deze stammen naar het westen als onvermijdelijk', schrijft Schulten in een artikel over Willards mapping van de “settler society.”

De tweede kaart in de serie van Willard's8217. Met dank aan Boston Rare Maps

Na de eerste kaart, zodra de 'geschiedenis' begint, verschijnen de stammen alleen wanneer ze in conflict zijn met of anderszins invloed uitoefenen op de Anglo-Amerikaanse samenleving. In latere versies van haar historische atlas liet Willard illustratoren Chief Powhatan afschilderen als een 'groot-man-kind' en andere inheemse mensen als verdoofd door Europese technologie. Hoewel het mogelijk is om je voor te stellen dat Willards opname van stambewegingen in haar boek een kritiek vertegenwoordigt op de houding van kolonisten tegenover inheemse mensen, zijn haar opvattingen uiteindelijk typerend voor de Amerikanen van haar tijd: God bedoelde voor 'beschaafde' mensen om dit land te nemen van ' & #8220savages. #8221

Wat cartografisch gezien vernieuwend is aan Willards werk, is de manier waarop ze de tijd probeerde weer te geven. “Hoewel ze het als onvermijdelijk ziet dat autochtonen zullen verdwijnen, stort ze eeuwenlang in op één beeld,”, zegt Schulten. 'Ze probeert de tijd op een andere manier in kaart te brengen als opmaat voor wat komen gaat. Het is echt een argument dat alles te maken heeft met de visie van Anglo-Amerika op het land. Wat dat betreft is ze een pionier.”


Het definiëren van het onrecht dat Japans-Amerikanen is aangedaan, was vrij eenvoudig.

Bij verschillende gelegenheden, 40 jaar na elkaar, kende het Congres betalingen toe aan Japans-Amerikanen die tijdens de Tweede Wereldoorlog uit hun huizen waren gehaald en naar interneringskampen werden gestuurd.

De Japans-Amerikaanse Evacuation Claims Act van 1948 bood compensatie voor onroerende en persoonlijke eigendommen die ze hadden verloren. Ongeveer $ 37 miljoen werd betaald aan 26.000 eisers. Maar er werd niet voorzien in verloren vrijheid of geschonden rechten.

Dat kwam in 1988, toen het Congres stemde om een ​​verontschuldiging aan te bieden en $ 20.000 te betalen aan elke Japans-Amerikaanse overlevende van de internering. Meer dan $ 1,6 miljard werd betaald aan 82.219 in aanmerking komende eisers.

De internering was "uitgevoerd zonder adequate veiligheidsredenen", verklaarde het Congres, en was "grotendeels gemotiveerd door raciale vooroordelen, hysterie in oorlogstijd en een falend politiek leiderschap." De wet erkende dat de fysieke en emotionele schade die de geïnterneerden hadden geleden, inclusief gemiste opleiding en beroepsopleiding, nooit volledig kon worden vergoed.

Volgens vertegenwoordiger Robert T. Matsui, een Californische democraat die als kind bij zijn ouders was geïnterneerd, veroorzaakte het wetsvoorstel "een heerlijk gevoel" onder Japans-Amerikanen. “Het verhielp het spook van deloyaliteit dat 42 jaar over ons hing omdat we opgesloten zaten. We werden weer heel als Amerikaanse burgers.”

Het onrecht begon en eindigde op bekende data, de meeste slachtoffers konden gemakkelijk worden geïdentificeerd via officiële documenten en meer dan de helft leefde nog toen de schadevergoeding werd toegekend. De situatie zou veel gecompliceerder en uitdagender zijn voor Afro-Amerikaanse eisers die herstelbetalingen voor slavernij zoeken.


'S Werelds meest meedogenloze stam die Amerikaanse toerist op hun eiland vermoordde 'houdt ervan om strandorgieën te houden'

LITTLE is bekend over de bewoners van North Sentinel Island en wat we nu doen is ronduit verbijsterend.

De Sentinelese stam is een inheems volk dat al ongeveer 55.000 jaar op een van de Andaman-eilanden in de Indische Oceaan woont.

Ze hebben geen enkel contact met de buitenwereld en zijn actief vijandig tegenover iedereen die nadert, en schieten pijlen op boten en helikopters wanneer ze in de buurt komen.

In de afgelopen jaren hebben ze iedereen vermoord die voet op het eiland heeft gezet.

Deze week nog werd John Allen Chau doodgeschoten met giftige pijlen vlak nadat hij voet op het eiland had gezet.

Hij probeerde de woorden van de Bijbel naar de stam te brengen toen de fel beschermende Sentinelese hem neerschoot.

Meer dan tien jaar eerder, in 2006, werden een paar vissers die bij het eiland aanmeerden en in slaap vielen, door de stam gestuurd nadat hun boot op het land was afgedreven.

Maar misschien wel de meest verontrustende ontmoeting vond plaats in 1970 toen de eilandbewoners orgiastische seks zagen in het bijzijn van geschokte onderzoekers.

De Indiase antropoloog Triloknath Pandit observeerde het verbijsterende tafereel in maart van dat jaar toen hij en een bemanning probeerden de teruggetrokken stam te bestuderen.

Een groep stamleden bedreigde hun boten vanaf de kust met bogen en pijlen en de expeditie probeerde te beslissen of ze hun zoektocht zouden staken toen enkele vrouwen arriveerden.

Pandit beschreef de scène in zijn aantekeningen: Ze begonnen allemaal onbegrijpelijke woorden te schreeuwen. We schreeuwden terug en gebaarden om aan te geven dat we vrienden wilden zijn.

“De spanning nam niet af. Op dit moment gebeurde er iets vreemds: een vrouw ging gepaard met een krijger en zat op het zand in een hartstochtelijke omhelzing.

“Deze daad werd herhaald door andere vrouwen, die elk een krijger voor zichzelf claimden, een soort gemeenschapsrelatie als het ware.

“Zo nam de militante groep af. Dit ging geruime tijd zo door en toen het tempo van deze waanzinnige dans van verlangen zakte, trokken de koppels zich terug in de schaduw van de jungle.

“Er waren echter nog steeds enkele krijgers op hun hoede. We kwamen dicht bij de kust en gooiden nog wat vissen die meteen werden opgehaald door een paar jongen.
"Het was al ver na de middag en we gingen terug naar het schip."

Het kleine beboste eiland, dat even groot is als Manhattan, is zelfs verboden terrein voor de Indiase marine in een poging de stam van ongeveer 150 te beschermen tegen uitroeiing door ziekte.

De stam kreeg internationale aandacht na de tsunami van 2004, toen een lid van de stam op een strand werd afgebeeld terwijl hij pijlen afvuurde op een helikopter die hun welzijn inspecteerde.

Campagnes van non-profit en lokale organisaties hebben ertoe geleid dat de Indiase regering afziet van plannen om contact op te nemen met de Sentinelezen.

Survival International, een organisatie die opkomt voor de rechten van inheemse volkeren, probeert ervoor te zorgen dat er geen verdere pogingen worden ondernomen om contact op te nemen met de stam.

The tribe's continued hostility to outsiders may lie in its colonial history.

In the late 1800s, M. V. Portman, the British Officer in Charge of the Andamanese landed, with a large crew, on the island in hope of contacting the Sentinelese.

They found recently abandoned villages and paths, but the locals were nowhere to be seen.


Customer reviews

Top reviews from the United States

There was a problem filtering reviews right now. Please try again later.

Historians who seek information on the centuries when Roman Britannia became Anglo-Saxon England run into too many dead-ends. This is not for lack of trying -- distinguished scholars have been researching every inch of England's history for the last three centuries.

The problem is a paucity of materials. On the Continent, the Franks, Goths and other Germanic kingdoms left written accounts, both from their viewpoint and from that of the conquered Romans who later absorbed them. But for England, there is very little: a few British sources like Gildas and Nennius that are often limited and sometimes simply wrong, the "Anglo-Saxon Chronicle," now recognized by historians as a foundation myth for the royal House of Wessex (at least in this period) rather than a serious history, and a few monastic charters, which say much more about pious legends and property and much less about history than we would like -- assuming they are not later medieval forgeries altogether.

Thus, when one runs across a production like this, comprised of essays by many of the leading Anglo-Saxon scholars, it is cause for rejoicing. In the first section, three essays lay down valuable groundwork by noting that what the Romans and their successors in the Catholic Church saw as "kings" may have looked very different to the Anglo-Saxon observer. They are referred to as rex, regius, regulus, sub-regulus and thiudan, and it is usually not clear what the distinctions meant, when they meant anything.

But the meat of the book is the second section, which covers not only what Basset calls the Heptarchy, the four kingdoms still surviving when the Vikings came (Wessex, Mercia, East Anglia and Northumbria), but numerous old and in some cases very small entities who had their own lives before being swallowed up. Martin Welch points out that Sussex may have grown from small pirate states around Pevensey and Chichester that spread into the hinterlands and eventually merged as the British fell back, and John Blair theorizes that an equivalent statelet of one Frithuwold may have become Surrey, if that state was ever independent at all. Barbara Yorke tackles the enigmatic Jutes, who may have had two kingdoms, the Isle of Wight and the mainland province that became Hampshire, before being gobbled up by expansionist Wessex. Martin Carver shows how little we actually know about East Anglia in spite of finds like the famous Sutton Hoo treasure, which he dates to the East Anglian king Raedwald. In two separate articles, Kate Pretty and Margaret Gelling tackle the Magonsaete, a small state between Mercia and Wales that had at least three of its own kings, and Pretty suggests the lack of Anglo-Saxon artifacts may mean that it was not Anglo-Saxon as much as it was a group of British farmers and villagers who started paying "protection money" to a Mercian lord but otherwise went on living as they always had. Bruce Eagles, in an essay on the equally misty history of Lindsey (now Lincoln), argues that it may never have been a kingdom at all, but rather a society of Native American-like Fen tribes who were retrospectively given kings by churchmen as a way of explaining why the Church came to have an important presence in this area.

The most interesting essays to me, however, were those by Keith Bailey and David Dumville dealing with, respectively, Middlesex and the Middle Angles -- the former appear only in a few textual references, the latter only in a much-argued-over document called the Tribal Hidage and dated by Dumville to the period of Mercian expansion. In both cases, we seem to be dealing again with smaller tribal units, with names like Geddingas, Hicce, Lullingas and Cilternsaete, who never made it to kingdom status. Both essays argue that, just as the asteroids never formed a planet because of the disruptive influence of giant Jupiter, these groups never formed a state because, in the case of the Middle Saxons, the urge of surrounding states (mostly Mercia and Essex) to dominate London kept them from coalescing, and in the case of the Middle Angles, the push-pull exerted by Mercia and East Anglia had the same effect.

All in all, the book filled in some gaps that I have been unable to find information on in years of looking. The result is to confirm that in fact the more we find out about the early Anglo-Saxon period, the less we find that what we "knew" is in fact true. While it seems unlikely that we will find much more in the way of written sources, archaeology and other disciplines keep pushing back the boundaries by contributing bits and pieces, but it seems likely that a full picture of this most elusive period of British history may remain forever out of reach.


Maori of New Zealand

In Polynesian mythology, people, the elements and every aspect of nature are descended from the one primal pair, the Sky Father and the Earth Mother. It was for this reason that the ancient Maori identified themselves so closely with nature. Before felling a tree (so slaying a child of Tane Mahuta, god of the forest) they would placate the spirits. Searching for food they would not speak of their purpose for fear that the prey might hear and make good its escape.

In the beginning there was only the darkness, Te Ponui, Te Poroa (the Great Night, the Long Night). At last, in the void of empty space, a glow appeared, the moon and the sun sprang forth and the heavens were made light. Then did Rangi (the Sky Father) live with Papa (the Earth Mother), but as the two clung together their offspring lived in darkness. The Sky lay upon the Earth, and light had not yet come between them.

Their children were vexed that they could not see, and argued among themselves as to how night and day might be made manifest. The fierce Tumatauenga (god of war) urged that they kill their parents, but Tane Mahuta (god of the forests) counselled that they separate their father Rangi from their mother Papa and in that way achieve their object. Tane's wisdom prevailed, and in turn each of the children struggled mightily to prise the Sky from the Earth. Rongo (god of cultivated food) and Tangaroa (god of the sea) did all they could, and the belligerent Tumatauenga cut and hacked. But to no avail. Finally it was Tane Mahuta who by thrusting with his mighty feet gradually lifted the anguished Rangi away from the agonised Papa. So was night distinguished from day.

Heartbroken, Rangi shed an immense quantity of tears, so much so that the oceans were formed. Tawhiri (god of wind and storm), who had opposed his brothers in the venture, was fearful that Papa would become too beautiful, and followed his father to the realm above. From there he swept down in fury to lash the trees of Tane Mahuta until, uprooted, they fell in disarray. Tawhiri then turned his rage on Tangaroa (god of the sea) who sought refuge in the depths of the ocean. But as Tangaroa fled his many grandchildren were confused, and while the fish made for the seas with him, the lizards and reptiles hid among rocks and the battered forests. It was then for Tangaroa to feel anger. His grandchildren had deserted him and were sheltering in the forests. So it is that to this day the sea is eating into the land, slowly eroding it and hoping that in time the forests will fall and Tangaroa will be reunited with his offspring.

The creation of woman: When the participants lay exhausted and peace at last descended, Tane Mahuta fashioned from clay the body of a woman, and breathed life into her nostrils. She became Hine-hauone ('the Earth-formed Maid') and bore Tane Mahuta a daughter, Hine-titama ('the Dawn Maid') who in time also bore daughters to Tane.

But Hine-titama had been unaware of her father's identity, and when she found he was the Tane she thought was her husband, she was overwhelmed with shame. She left the world of light, Te Ao, and moved to Te Po, the world below, where she became known as Hinenui-te-Po ('Great Hine the Night').

The children of Tane were plentiful, and increased and multiplied, for death held no dominion over them.

The Mapping of North America Volume II

A list of printed maps 1671-1700

An essential reference work for collectors, dealers, institutions and researchers.

The Mapping of North America II continues on from the first volume in documenting the printed cartographic record of the discovery of the continent from 1670 to 1700. Much has been written on the printed word in relation to America, and many works exist on the cartography of it. None however has attempted to comprehensively detail every known printed map.

612 pages, 270 x 365 mm., bound in burgundy cloth with colour dustjacket. With 12 + 364 map entries, 12 colour plates and 392 black and white photographs. ISBN 978-0-9527733-1-3.

The Maui Cycle in Maori Mythology

The birth of Maui

Maui, fifth of his parents' sons, was born so premature, so frail and so underdeveloped that he could not possibly have survived. So his mother, Taranga, wrapped the foetus in a knot of her hair and threw it into the sea - hence Maui's full name of Maui-tikitiki-a-Taranga ('Maui, the topknot of Taranga'). For certain he would have died, but the gods intervened and Rangi, the Sky Father, nursed him through infancy.

As a grown child, Maui returned to confront his bewildered mother and to amaze his family with feats of magic.

The snaring of the sun

Not surprisingly, Maui's four brothers were jealous of the favouritism shown him by their mother Taranga, but when he offered to slow down the sun so that the days would be longer and they would all have more time to find food, they agreed to help.

Carrying the enchanted jawbone of his grandmother, Maui led his brothers eastwards, to the edge of the pit from which the sun rises each morning. There, as it rose, the brothers snared the sun with huge plaited flax ropes. As they held it still, Maui with the enchanted jawbone cruelly smashed the sun's face time and time again, until it was so feeble that it could but creep across the sky - and continues so to do to this very day.

Maui snares and beats the sun to slow its transit through the sky

The Fish of Maui

Maui's brothers, weary of seeing their younger brother catch fish by the kit full when they could barely hook enough to feed their families, usually tried to leave him behind when they went fishing. But their wives complained to Maui of a lack of fish, so he promised them a catch so large they would be unable to finish it before it went bad.

To make good his boast Maui carefully prepared a special fishhook which he pointed with a chip from the magic jawbone, and then hid under the flooring mats of his brothers' fishing canoe.

At dawn the brothers silently set sail, thinking they had managed to leave their brother behind, and only when they were well out to sea did Maui emerge. The brothers were furious, but it was too late to turn back. After they had fished in vain, Maui suggested that they sail until well out of sight of land, where they would catch as many fish as the canoe could carry. The dispirited brothers were easily persuaded, and Maui's prediction came true. But even when the canoe was so overladen with fish that it was taking on water and the brothers were ready to set sail for home, Maui produced his own hook and line and against their protests insisted on throwing it out. For bait, he struck his nose until it bled and smeared the hook with his own blood. As Maui began to chant a spell 'for the drawing up of the world' the line went taut. Though the canoe lurched over and was close to sinking, Maui grimly hauled all the harder and his terrified brothers bailed the more furiously.

Maui fishing up the North Island of New Zealand

At last Maui's catch was dragged to the surface and they all gazed in wonder. For Maui's hook had caught in the gable of the whare runanga (meeting house) of Tonganui (Great South) and with it had come the vast wedge of land now called the North Island of New Zealand, called by the Maori Te Ika a Maui, 'the Fish of Maui'.

Such an immense fish was indeed tapu (sacred) and Maui hastily returned to his island home for a tohunga (priest) to lift the tapu. Though he bade them wait till he return before they cut up the fish, Maui's brothers began to scale and eat the fish as soon as he was gone - a sacrilege that angered the gods and caused the fish to writhe and lash about. For this reason much of the North Island is mountainous. Had Maui's counsel been followed the whole island today would have been level.

In mythology the feat of Maui in providing land ranks only after the separation of Earth and Sky in the story of creation. According to some tribes not only is the North Island the 'Fish of Maui' but the South Island is the canoe from which the gigantic catch was made and Stewart Island its anchor-stone. Maui's fishhook is Cape Kidnappers in Hawke's Bay, once known as Te Matau a Maui, 'Maui's fishhook'. Throughout Polynesia the Maui myths are recounted and the claim is made by other islands that Maui fished them from the deep. This supports the theory that Maui may have been an early voyager, a creator-discoverer, who seemed to fish up new land as it slowly appeared above the horizon.

Maui tries to conquer death

Maui's final feat was to try to win immortality for mankind. Had not Maui tamed the sun? Could he not also tame the night of death? With an expedition, Maui set out to the west, to the place where Hinenui-te-Po, the goddess of death, lay asleep. To accomplish his aim, Maui was to enter her womb, travel through her body and emerge from her mouth. If he succeeded death would never have dominion over humans. With the bird who went with him Maui discussed the plans for his most daring feat, for which he would take on the form of a caterpillar, his magic jawbone making such transformation possible. But the sight of Maui as a caterpillar inching his way over Hine's thigh as she lay sleeping was altogether too much for the little tiwakawaka (fantail), who could not restrain a chirrup of delight. With a start Hine awoke, realised the plan and crushed the helpless Maui between her thighs.

So died Maui-tikitiki-a-Taranga, and so death remained in the world for ever more. You also are mortal - remember that, and mould your conduct accordingly during your brief time in this world.

The Coming of the Polynesian

Origin of the Polynesian

Linguistic, molecular biological and archaeological evidence has established that Polynesia was peopled from Asia. Mitochondrial DNA studies demonstrate that Polynesians and the aboriginal population of Taiwan share a common ancestor, and language evolution studies suggest that the origin of most Pacific populations lies in Taiwan, about 5200 years ago. As the population there expanded, people probably filtered east across the Malayan, Philippine and Indonesian archipelagos and Melanesia. This movement became increasingly isolated from its cultural origins, the culture it carried began to develop independently and recognisably differing cultures ultimately emerged. By about the time the movement reached Tonga and Samoa, perhaps 4,000 years ago, the 'Polynesian' culture may be said to have emerged.

Thor Heyerdahl has argued that the population movement from Asia in fact took place in a northerly direction, then swept east across the Bering Strait and finally reached the Pacific proper by way of the Americas. Central to this thesis is the presence throughout Polynesia of the kumara, a sweet potato native to South America, the distribution of which remains something of a puzzle. The kumara grows from a tuber and so could not have been borne by birds nor, it is clear, could the plant have survived being carried by sea currents across the ocean from South America to East Polynesia. It must have been carried by human travellers. Moreover, not only is the plant found throughout Polynesia, but it is also known by its South American name. Although Heyerdahl's celebrated Kon-Tiki expedition (1947) established that it was possible for Polynesia to have been peopled by way of the Americas, his theory has failed to win general acceptance. Kumara has been radiocarbon-dated in the Cook Islands to 1000 AD, and current thinking is that it was brought to central Polynesia circa 700 AD, possibly by Polynesians who had traveled to South America and back, and spread across Polynesia to Hawaii and New Zealand from there.

'Hawaiki'

In time the Marquesas and later the Society Islands evolved as early centres of Polynesian culture. On one of the Society group, Rai'atea (west of Tahiti), Polynesian culture found its highest form. Many believe that it was this revered cultural centre that was 'Hawaiki', a place much venerated in tradition as the 'homeland' of the Maori people, for it is plain that Maori culture derives from East Polynesia.

The concept of 'Hawaiki', of a 'homeland' from which the forbears of each migratory group had come, is found throughout Polynesia and is applied to differing areas both within and without the region. It may simply have been a general way of describing the area from which the last movement had been made in the course of the settlement of the island groups throughout Polynesia.

To some Maori tribes 'Hawaiki' is a reference to the Cook Islands, possibly because their ancestors came to New Zealand from the Society Islands by way of the Cook group. Maori in the Chatham Islands have even referred to the South Island of New Zealand in this way.

It was on the base of Polynesian culture that the intricacies of Maori culture were structured. Indeed, throughout Polynesia there are common elements in language, legend and place names. The myth of the separation of Earth and Sky is generally constant, and the Maui cycle is common throughout the region.

The coming of Kupe

According to popular tradition (whose authenticity is at the very least questionable) it was the Polynesian voyager Kupe (fl. c. AD 950) who discovered New Zealand, a land he named Aotearoa (usually translated as 'land of the long white cloud' or 'land of mists'). In one of a variety of conflicting legends it is said that in 'Hawaiki' Kupe had murdered the carver Hoturapa and made off not only with Hoturapa's canoe, but also with his wife. Hoturapa's relatives sought vengeance and pursued the guilty pair who, in the course of a lengthy voyage, lived for some time in Aotearoa and named several of its features. Curiously, only some tribes have any traditions of Kupe at all. Those who do generally say that Kupe found the 'Fish of Maui' uninhabited and eventually returned to 'Hawaiki' to give the sailing instructions that, according to popular belief, were followed by migrating canoes four centuries later.

Toi and Whatonga

If Kupe encountered no tangata whenua ('people of the land'), according to popular tradition the next Polynesian voyagers said to have reached Aotearoa most certainly did. Whatonga (c. 1130-90?), so one version runs, was competing in canoe races off 'Hawaiki' when, in a sudden storm, his canoe was blown out to sea. His grandfather, Toi (fl. c. 1150), despaired of his ever returning and so set out to find him. In the meantime Whatonga is said to have returned to 'Hawaiki', to have found Toi gone and in turn to have set out to look for him. The story concludes with the pair being reunited at Whakatane (Bay of Plenty) in c. 1150. Those on Toi's canoe intermarried with local tangata whenua and settled at Whakatane to form the genesis of today's Ngati Awa and Te Ati Awa tribes. Those with Whatonga made their homes on the Mahia Peninsula. The chronology of these genealogies is surely totally unreliable.

Maori Chronology doubted

The Kupe-Toi-Whatonga chronology is based in present-day tradition and, with the 'Fleet' myth, is viewed with scepticism by most historians. However, some genealogies establish Kupe in the 14 C and so would have him living in Aotearoa right at the time that settlement seems to have been established, based on radiocarbon dating - see dating of the appearance of the polynesian rat, below. Toi is placed anywhere from 29 to 42 generations ago, and some conclude that not only were there two Kupe but there were also two Toi - Toi kai rakau, a native-born origin ancestor, and Toi te huatahi, a 'Hawaikian' who never came to New Zealand.

Some early students of the Maori distorted and even at times destroyed material that did not accord with their theories. The works of these historians have passed not just into European folklore but have been 'fed back' into Maori tradition. This is not to discount completely the value of Maori tradition as a clue to prehistory, but to query the status accorded some tradition as authentic Maori tradition.

Recent radiocarbon dating of rat-gnawed seeds seems to date the arrival of the first people in New Zealand as definitively around 1280, some 360 years before the arrival of European explorers (Abel Tasman, 1642) (Wilmshurst et al. PNAS 2010). The Pacific rat (kiore) cannot swim very far and hence must have arrived in New Zealand as a stowaway or cargo on polynesian canoes. The rat gnaw marks on seeds are unmistakable and radiocarbon dating of the bones of rats themselves also gives an earliest limit of 1280. This is consistent with other evidence from the oldest dated archaeological sites, some Maori whakapapa (genealogies), widespread forest clearance by fire and a decline in the population of marine and land-based fauna. Most whakapapa yield likely dates several hundred years earlier but they provide weak evidence at best.

Migration from East Polynesia

Tradition continues that two centuries after the expedition of Toi and Whatonga, the Society Islands (Windward and Leeward Islands, including Tahiti) had become so overpopulated that food shortages and war were inducing a number of Polynesians to migrate. In Maori tradition, a number of canoes made the journey to New Zealand, among them the Arawa, Tainui, Aotea, Mataatua, Tokomaru, Takitimu, Horouta, Tohora, Mamari, Ngatokimatawhaorua, Mahuhu and Kurahaupo. It is from these canoes, which some believe arrived in the 14 C, that most Maori claim their descent.

Early New Zealand historians gave rise to the concept of an organised 'fleet' setting sail for New Zealand, but this view has been completely discredited and is without foundation in Maori tradition.

Conversely, it has even been suggested that a single canoe with perhaps 30 occupants, of which half were women, could, with an annual increase of only one percent, account for a population in 1769 of the dimensions described by Cook. According to this theory a single canoe might have landed in Northland, New Zealand, from 'Hawaiki'. Over the generations the 'ancestral' canoes of Maori tradition might have set sail not from the Society Islands but from a Northland 'Hawaiki', and not to voyage across the Pacific but to skirt the New Zealand coastline.

That at least one canoe arrived from East Polynesia, either directly or indirectly, is beyond dispute (and if one could arrive, why not two?). Why it came remains a matter of controversy. Did each canoe which came deliberately set sail for New Zealand? Or did they come by chance over a span of up to three centuries, being blown off course while travelling between groups of islands?

Those who support the theory that migration throughout Polynesia was deliberate rather than accidental claim an extraordinary navigational ability for the Polynesians which would have enabled them to sail vast distances to reach minute destinations. Cook noted that 'the sun is their guide by day and the stars at night . (in a storm) they are then bewildered, frequently miss their intended port and are never heard of more.'

This suggests that the peopling of the farther islands of Polynesia such as New Zealand and Hawaii may have been accidental rather than deliberate - or the product of 'drift voyages' which took place when whole groups were forced to abandon their home islands and simply set sail for wherever the elements bore them. However, there is a considerable body of opinion and evidence to the contrary and the topic remains one of controversy. Maori tradition with its history of ancestral canoes generally opposes the theory of accidental settlement.

Wherever their starting point, some of the ancestral canoes are said to have travelled in pairs for the greater part of the journey, and may have been single-hulled canoes lashed together. This would have given greater stability for an ocean voyage, with the hulls separating for the hazardous business of making landfall, and would explain how the Tainui and Arawa could have arrived at the same place (Whangaparaoa, East Cape) at so nearly the same time that the tribes could argue as to which had arrived first. It would also account for the Aotea canoe's being close by to rescue those in the Kurahaupo when it was wrecked en route.


England, But New: How John Smith’s 1616 Map Helped Define America

Massachusetts

In the mythology of the Americas, the English soldier John Smith is most famous for his association with Pocahontas, the Powhatan woman known for her interactions with Jamestown settlers. But he made another indelible contribution to what’s now the United States—he named the area of the country that stretches from Cape Cod up the coast of Maine. The region would later become a key part of the American narrative, the site of the first Thanksgiving. He called it “New England,” and the name stuck.

The map above, first published in 1616, marks the first time anyone called New England “New England.” Two years before, after being shut out of the leadership of Jamestown, and looking for a new foothold in the Americas, Smith joined an expedition that sailed up the coast of what was then called “North Virginia.” What he saw there sparked his colonial imagination. He could envision British settlements scattered along rivers, surviving on the rich fisheries, ample hunting, and potential farmland.

So Smith raised money to bring a party of settlers across the ocean, and in 1615 they set out, only to be quickly captured by pirates. After his release, Smith struggled to find further financing. When Pocahontas—who by then went by the name Rebecca Rolfe—planned a trip to London, Smith rushed to publish an account of his American experience, which included the New England map. “I would rather live here than anywhere,” he wrote.

It was an advertisement, a real estate brochure, of sorts. “The map conveys settlement as a sure bet,” writes historian Susan Schulten, in her book A History of America, in 100 Maps, published in fall 2018. But in 1616 the villages that dotted the map didn’t really exist. Smith let the then–Prince Charles (who would become king in 1626) swap in whatever he wanted for the indigenous names of places marked on the map. We still use a few of those names today—Cape Ann, the River Charles, Plymouth.

Before they set out across the Atlantic, the Pilgrims bought a copy of Smith’s map, although it’s unclear if they brought it with them, since they had intended to sail farther south. But they were blown to the area that Charles had called “Plimouth,” and they stayed there.

“A map of New-England, being the first that ever was here cut.” Norman B. Leventhal Map Center/Boston Public Library/Public domain

The New England that Smith imagined took form over the following decades, and in 1677 William Hubbard and John Foster published a homegrown map of the region (above). The settlers had just fought a war against the Wampanoag leader Metacomet (also known as King Philip), and the map is “the first that was ever here cut,” the creators note. It shows British settlements spreading through the Massachusetts Bay colony to the Connecticut River. It’s one of the only images left that New Englanders made in that era.

Smith’s map had left native tribes out altogether. The later map had to include them, as it was meant to show, in part, the conflicts settlers encountered. But Schulten points out that the native settlements are marked by trees, as if they’re part of the natural landscape. Whatever stories British settlers told about the “pristine” landscapes of “New England,” their maps reflected. To some extent, we still indulge in those myths today. The story of Thanksgiving, in its typical form, is about cooperation between settlers and the tribes who lived here already. But as these early maps indicate, colonists never saw the residents of this land as an important part of the story. They saw the land they wanted to make their own.


Indian Removal Act: The Genocide of Native Americans

Native American Headdress. Source: Chris Parfitt, Creative Commons.

Genocide is the systematic destruction of peoples based on ethnicity, religion, nationality, or race. It is the culmination of human rights violations. There are numerous examples of genocide throughout history, some being more infamous than others. For example, Hitler and the Jewish Holocaust is probably the most well-known case of genocide in modern history. There are other cases that are not as well known, especially in our American culture where, historically, we tend to focus on the atrocities of others and ignore our own. One such case is Native American genocide by European colonists, and later, the United States government. The purpose of this blog is to objectively examine a few of cases of genocide against Native American peoples, by European settlers and the United States government, and understand why they occurred.

Thanksgiving, a traditional holiday in the United States, would not have been possible without the Algonquian tribes that befriended early English and Dutch settlers in the New World. In fact, many early 17 th century European settlers died, in the first few years of colonization, due to starvation and disease. Turkey, pumpkin and Indian corn are three traditional foods of Thanksgiving were actually introduced to the Pilgrims by the Algonquians. Initially, some of these foods were foreign to the struggling European colonists. However, over the course of several years, the colonists learned how to survive in their new environment with the help of their Native American neighbors. The first Thanksgiving was a three-day harvest festival, with ninety-one “savages” in attendance, who gifted the Pilgrims with five freshly killed deer, as their contribution to the festivities. The Pilgrims were impressed with the deer, one noting that it would have taken them (the colonists) a week to hunt five deer, yet the “savages” accomplished this in one day (Heath 82). The Pilgrims viewed their Native American neighbors as “savages” due to ethnocentrism and a worldview based on natural law, or a natural hierarchy based on God’s design. This hierarchy is a Eurocentric philosophy placing the white man as superior and other races, such as, Black, Asian and Native American as inferior.

Source: Mike Licht, Creative Commons

In the following years, as the alliance between the colonists at Plymouth and their Native American neighbors grew, social conflicts began to erupt. The death of Captain John Stone was the first misunderstanding between the Pequot, a neighboring tribe, and the Puritans. There was a failure in justice, as the Puritans saw it, as they wanted the Pequot responsible for Jones’ death to face English law, rather than allow the Pequot to administer justice themselves. Also, one must take into account how the Pequot were viewed by the Puritans as “savages”. This affected how the Puritans interpreted the actions of the Pequot and their place in God’s plan. These views were first reinforced through ignorance of medical knowledge. The pandemic of 1617-1619 killed many Puritans as well as Native Americans, and served to reinforce a worldview based on religious mysticism rather than objective knowledge. Neither the Puritans nor the Native Americans understood how disease was transmitted. This lack of knowledge made it difficult to comprehend their susceptibility, due to a compromised immune system, to foreign microorganisms. The Puritans being affected by the New World microorganisms and the Indians succumbing to European microorganisms brought by the colonists fostered distrust, accusation, and death (Cave 15).

The Puritan worldview consisted of two parties: God’s party being white Satan’s party being dark, heathen and doomed. The New World was a spiritual battleground, and it is amazing that peace lasted as long as it did, with war being the primary vehicle of God’s deliverance and justice, in the Puritan mind. In short, the Pequot War was a war of misunderstandings and natural law, in which the Puritans were righteous and justified, while the Pequot were heathens, soldiers of Satan, and inhuman (Cave 18). The Pequot War lasted almost a year, from 1636 to 1637, with both parties being experienced warriors. In the end, the Pequot were defeated and this relatively short, small-scale conflict served to justify the killing of Native Americans by creating an image of untrustworthy savages that were plotting to destroy those doing God’s work in the New World. This became the bedrock of American frontier mythology (Cave 168).

The Pequot were not the last Native American tribe in New England to suffer what the Puritans believed to be divine mandated justice. The Narragansetts and the Wampanoags, once friends of the English in the early 17 th century, both discovered, before the end of that century, that the Puritan conception of God’s providential plan for New England left no room to assert Native American autonomy. Such assertions were an offense to the Puritan sense of mission. As the population ratio between the English and the Native Americans in New England shifted in favor of the English, the Puritans authorities became increasingly overbearing in their dealings with their Native American counterparts. Puritan Indian policy, from its inception, was driven by the conviction that if Puritans remained faithful to their covenant with God, they were destined to replace the Indians as masters of New England. By the end of the 17 th century, economic changes, such as the declining importance of the fur trade and the expansion of English agriculture and industry, effectively reduced the need for Indian commerce, further jeopardizing the status of Native American communities in New England (Cave 174).

The intolerance of Indian cultures reflected essential elements of the Puritan worldview as a struggle between heathen savagery and Christian civilization. Puritan ideology was founded on three premises, which later translated into vital elements of the mythology of the American West. The first was the image of the Native American as primitive, dark and of evil intent. The second was the portrayal of the Indian fighter as an agent of God and of progress, redeeming the land through righteous violence. And finally, the justification of the expropriation of Indian resources and the extinction of Indian sovereignty as security measures necessitated by their presumed savagery (Cave 176).

By the 19 th century, this mythology began to reflect itself within Unites States governmental policy, during the presidency of Andrew Jackson. The United States went through a major reorientation in race relations during this time. The growing abolition movement led the way to the sectionalism of the Civil War and the consequent emancipation of the slaves. This dramatic transformation in racial policy did not include the Native American tribes of the Southeastern United States (Cherokees, Creeks, Choctaws, Chickasaws and Seminoles), who were considered “the most civilized tribes in America” because of their adoption of the agricultural system of their white neighbors, including the institution of black chattel slavery (McLoughlin xii). By 1838, the Cherokees were forcibly expelled from their ancestral homeland and relocated to the Oklahoma territory, by way of what is now known as the Trail of Tears. The Cherokee tried to prevent this and maintain their sovereign “nation” by adopting a constitution, based on that of the United States, to govern their own land under laws and elected officials. At the same time, the sovereign state of Georgia was attempting to abolish the Cherokee Nation and incorporate the Cherokee under their own laws. Andrew Jackson became president in 1828 and one of his first priorities was to resolve this issue.

Jackson, being a slave owner and a renowned Indian fighter of the Western frontier, sided with Georgia, supporting states’ rights to supersede treaty rights. The issue was brought before the Supreme Court twice, once in 1831 in Cherokee Nation vs. Georgia and again in 1832 in Worchester vs. Georgia. Chief Justice John Marshall described the Cherokees as “a domestic, dependent nation” and he proclaimed the unconstitutionality of Georgia’s laws, asserting that federal authority overruled states’ rights regarding Indian treaties. However, Jackson had already persuaded Congress to pass the Indian Removal Act in 1830 that made it virtually impossible for any eastern tribe to escape ceding its land and moving to “Indian territory”, west of the Mississippi River (McLoughlin 2). It is worth noting that, in modern times, these acts would be violations of U.N. Charter, Article 1.2 which asserts, “To develop friendly relations among nations based on respect for the principle of equal rights and self-determination of peoples, and to take other appropriate measures to strengthen universal peace”.

Source: John Perry, Creative Commons

Thus, in 1838, the Cherokee were forced from their land and “escorted” west. The trip was estimated to take eighty days, but some of the contingents took almost twice as long due to inclement winter weather, unrelenting sickness because of exposure, and dangerous ice flows while crossing the Mississippi River. Before the Cherokee left on this epic trek, almost 1,500 had died from epidemics in the camps they were housed in another 1600 died on the journey. As a result of their weakened condition, along with the absence of housing and food, many more died soon after reaching their destination. The United States government had guaranteed supplies for the Cherokee’s new home, for a year after their arrival, but rations were hired out to private contractors who made extra profits by providing less than they had agreed to supply. Oftentimes, what they did provide was rotten meat and moldy corn and flour (McLoughlin 7).

In current times, the Dakota Access Pipeline represents another affront to Native American sovereignty and further marginalization of Native American peoples in this instance, the Sioux tribe located in Standing Rock, North Dakota. There are two primary issues the Sioux have against the pipeline: The pipeline will contaminate drinking water and damage sacred burial sites. Originally, the pipeline was designed to go through Bismarck, North Dakota but was rejected by the citizens there because they didn’t want to risk contaminating their drinking water. The ensuing Standing Rock protests that took place, after the pipeline was redirected through Sioux land, arguing they deserve the same rights and considerations as the citizens of Bismarck.

Throughout American history, the treatment of indigenous Native Americans has violated numerous articles of the United Nations Universal Declaration of Human Rights. These violations resulted in the loss of numerous Native American homelands, the Cherokee being only one example, and the genocide of numerous other smaller tribes since the beginning of European colonization. This is largely due to Eurocentric ideals, like the natural law of the Puritan worldview, which elevates the status of European peoples over that of indigenous, Native American peoples through a biased worldview. This mindset is so pervasive and powerful that it still prevails today, evidenced by modern films and television that paint Native American tribes as savage, ignorant and of ill intent toward the “white man”, and the policies of the current United States government. These governmental policies have resulted in the alienation and marginalization of Native American peoples throughout American history. These violations include the removal of Native Americans from their traditional homeland to reservations, oftentimes very far away from their ancestral lands, and in many cases, the genocide of Native American tribes altogether. The violations were masked in the form of “treaties” between indigenous tribes and the U.S. government, though these treaties were often a choice between the survival of a tribe or their complete and utter destruction. In short, the Native American tribes were never in a position, or held enough power, to ever guarantee a fair deal with the U.S. government in these negotiations. The result of this imbalance of power and lack of respect manifested itself in the form of genocide and the loss of human rights, and their homelands, for many indigenous peoples of North America.

Cave, A. A. (1996). The Pequot War. The University of Massachusetts Press.

Heath, D. B. (1963). A Journal of the Pilgrims at Plymouth. Corinth Books, Inc.

McLoughlin, W. G. (1993). After the Trail of Tears. The University of North Carolina Press.


Bekijk de video: Цитат от Учителя: Като говоря че човек трабва да гладува 40 дни, ще кажете, че това е жестоко от мо